Tijdloze Cariben: Saint Vincent en de Grenadines

Redactie Lonely Planet
Tijdloze Cariben: Saint Vincent en de Grenadines

De eilanden in de Caribische Zee zijn een stuk veelzijdiger dan de brochures doen vermoeden, zoals je op het eiland Saint Vincent zult merken. De Grenadines, die daarbij horen, zijn een ander verhaal. Hier beleef je het relaxte eilandleven.

Het is ochtend in Kingstown, de hoofdstad van Saint Vincent. De loopplank van het schip de Bequia Express IV laat een gepiep van metaal op metaal horen terwijl het schip op en neer deint naast de kade. Het geluid is door het geroezemoes van de haven nauwelijks te horen. Het overgeschilderde opschrift “Andfjord-Ferga, Tromsø” herinnert nog aan het vorige leven van het schip, in een minder zacht klimaat. Er staan dozen met eieren opgestapeld op het benedendek. Een vastgebonden geit blaat wanhopig. Dit zijn niet echt de Caraïben zoals je ze voorstelt. Geen parelwit strand waar slechts een tweetal voetsporen op het onbesmette zand te zien zijn. Om dit te zien neem je de boot naar de Grenadines.

Deze eilandengroep is bijna het Caribisch gebied in het klein. De Grenadines liggen uitgestrekt als een parelketting over 112 kilometer aan blauwe zee tussen Saint Vincent en Grenada. Het grootste deel van de eilandengroep hoort bij Saint Vincent. Dat land heeft samen met de Grenadines een vreemde dubbele identiteit. Het bergachtige hoofdeiland kent weinig toerisme buiten de zuidkust, omdat het vooral zanden met zwart zand heeft, terwijl de paradijselijke Grenadines exclusieve oorden omvatten zoals Mustique en Mopion, dat slechts bestaat uit een hoopje zand met een parasol van palmbladeren erop. Het hoort bij Bequia (spreek uit: bekwee), het eiland dat het dichtst bij Saint Vincent ligt.

Young Island Resort op Bequia, een tropisch gezicht | Foto: Justin Foulkes / Lonely Planet

Nadat de laatste auto op de Bequia Express IV is gereden, verlaat het schip Kingstown langs een landtong in de vorm van een slapende hond. Boven ons cirkelen fregatvogels. De meeste bezoekers van Bequia arriveren tegenwoordig in een vliegtuig, maar de veerboot is een betere voorbereiding op het ritme van het leven op een klein eiland. Op het bovendek zit een man met een dreadlockbaard en een tas waar rastafari-icoon Keizer Haile Selassie op staat afgebeeld. Daarnaast zitten twee oudere vrouwen in nette jurken met strohoeden op. We varen langs Young Island, waarop de ruïnes van het 18de-eeuwse fort nog net zichtbaar zijn, en vervolgens langs de onbewoonde eilanden Bettowia en Baliceaux, voordat we de haven van Bequia invaren.

Op het eerste gezicht ziet Bequia er haast onbewoond uit. Maar wanneer de boot Admiralty Bay indraait zien we een stuk of honderd zeilboten voor anker liggen. Achter de boten, in een amfitheater van heuvels, zijn de blauwe, groene, oranje en witte daken van Bequia’s hoofdstad Port Elizabeth te zien. De bezoekers die nog nooit gefantaseerd hebben over een zwerf-zeiltocht langs de verschillende eilanden van de Antillen, zullen dat hier zeker doen. De lokale bewoners houden enorm veel van hun boten, soms zelfs een beetje teveel. Bij een dikke amandelboom langs de kust liggen twee houten raceboten vastgebonden. De eigenaar heeft ze Worries en More Worries genoemd, naar zijn geld slurpende hobby.

Het nautische leven van Bequia werd al gevormd ver voordat het toerisme zijn intrede deed. Een stukje van deze cultuur is te zien als je vanuit de haven iets naar het noorden loopt, naar de Sargeant Brothers Model Boat Shop. In de winkel, die vol staat met modelzeilbootjes, vertelt mede-eigenaar Timothy Sargeant het achtergrondverhaal: ‘Voor de 18de eeuw stond Bequia onder de inheemse Caribische volken al bekend om de bomen die er groeiden, die van goede kwaliteit waren om boten van te maken. Later bouwden de Engelsen hier ook schepen.’ Bequia werd in het Caribisch gebied beroemd om zijn scheepsbouw. En ook al is de vraag naar grote houten vaartuigen de laatste tijd flink afgenomen, toch leeft een deel van de nalatenschap voort. Jongeren maken nog steeds zeilboten van kokosnoten, waarmee ze wedstrijden houden terwijl ook de zeilwedstrijden van de Bequia Easter Regatta worden gehouden.

Zo is Timothy ook begonnen. ‘Mijn oudere broer verkocht kokosnotenboten,’ vertelt hij. ‘Maar toen we de grotere boten de baai in zagen komen, besloten we die na te maken.’ Als ze geen kleinere versies van traditionele Bequiaanse boten aan het maken zijn, nemen de mannen ook opdrachten aan. Zo hangt er in de winkel een ingelijste bedankbrief van de vorige eigenaars van het Britse koninklijke jacht Britannia.

Het strand bij Lower Bay, westkust Bequia | Foto: Justin Foulkes / Lonely Planet

Je hebt trouwens niet je eigen zeilboot nodig om de schoonheid van de kust van Bequia te bewonderen. Bij Lower Bay is het fluweelachtige strand rustig genoeg om groene krabben te ontwaren die uit hun holletjes in het zand kruipen en je aankijken met hun kraalogen. Aan de oostkust van het eiland ligt Industry Bay, een baai die een naam heeft die absoluut niet past bij de rust die er heerst. Het enige wat beweegt zijn de zwaaiende palmbladeren en de golven die een eenzame kokosnoot eindeloos heen en weer spoelen op het zand. Wanneer een stelletje langs loopt lijken ze verrast om me te zien, maar groeten ze me joviaal. De golven spoelen al spoedig onze voetsporen weg.

Als ik terugkom in Port Elizabeth, loopt de dag op zijn einde. In de achterafstraatjes worden potjes straatvoetbal gespeeld. De Rush Hour Bar is nog zo’n verkeerde benaming, deze keer met opzet. In de bar wordt muziek van Bob Marley gespeeld, dat buiten op straat waar een stel jongens en mannen een potje hooghouden spelen te horen is. Natuurlijk komt de bal op het blikken dak van de bar terecht. Rustig rolt hij naar de rand en blijft daar liggen. De jongste speler wordt het dak op geholpen en al snel heeft hij de bal weer in het spel gebracht. Morgen is het tijd om de veerboot terug naar het “grote eiland” te nemen, maar vandaag ga ik nog genieten van een laatste zonsondergang.

Dit is het tweede deel van een driedelige serie over de veelzijdige Caribische eilanden. Lees hier het eerste deel terug.

Openingsbeeld: Port Elizabeth | Justin Foulkes / Lonely Planet


Volg Lonely Planet op Instagram