Ontdek alternatief Aruba

Redactie Lonely Planet

Wie voorbij het “zon, zee, strand”-imago van Aruba kijkt, vindt een veelzijdig eiland dat zich niet zomaar in één tropische slogan laat vangen. Niet zonder reden is het Caribische eiland een van de Best in Travel-bestemmingen van 2020 – ontdek de diepe wateren voorbij de perfecte stranden, het ruwe ongerepte natuurschoon en een eigengereide, kleurrijke gemeenschap

De kunstzinnige stad

 Een bijzondere muurschildering tegenkomen tijdens een wandeling door een onbekende stad voelt een beetje als het vinden van een verborgen schat. Deze voelt net zo; tussen de weinig opvallende woningen langs de Van Renselaerstraat in San Nicolas springt er opeens een uitbarsting van kleuren in zicht. Geschilderde speelkaarten tuimelen langs de muur maar raken de stoep niet, een jongen met sprekende ogen houdt ze overeind. Ik loop er naar toe om het kunstwerk beter te bekijken en dan zie ik het pas: het is letterlijk een kaartenhuis. Elk oppervlak van het gebouw is benut, van de roestige raamkozijnen tot het platte dak.

Het blijkt slechts het begin van een onverwacht kleurrijke wandeling. Het halve centrum van de kleine stad fungeert als canvas, van prominente hoekhuizen tot verdwaalde afbrokkelende muurtjes bij een parkeerterrein. San Nicolas ademt straatkunst. ‘Het is moeilijk voor te stellen, maar een paar jaar geleden was de stad nog een ghost town,’ vertelt Leon Bérénos, een bekend gezicht in de plaatselijke kunstscene, die de transformatie van zijn stad vanaf het begin meemaakte.

Het kleurrijke kaartenhuis in San Nicolas | Foto: Sophie Bous

Wie de een na grootste plaats op het eiland binnenrijdt, zo’n 25 minuten vanaf de Arubaanse hoofdstad Oranjestad, wordt direct herinnerd aan de voormalige identiteit van San Nicolas als industriestad. Overblijfselen van de olieraffinaderij domineren het zicht. Vanaf halverwege de jaren 20 van de vorige eeuw trok de olie-industrie talloze mensen, ook van buiten Aruba, naar het oosten van het eiland om te werken. Wat volgde waren decennia van welvaart, met de smeltkroes San Nicolas als bruisend middelpunt. Totdat de raffinaderij in 2012 sloot en het stadje leegliep.

‘Kunst bracht San Nicolas weer tot leven,’ zegt Leon en hij spreidt zijn armen. Met zijn oranje broek en bijpassende hoedje past de geboren en getogen Arubaan perfect bij zijn omgeving, waar hij me met een enthousiast tempo doorheen leidt. Hier en daar is een artiest bezig met een imposant kunstwerk, op andere plekken worden net weer schilderingen weggehaald om plaats te maken voor het werk van een nieuwe kunstenaar. ‘Over een paar maanden is het weer tijd voor de Aruba Art Fair,’ vertelt Leon opgetogen. Het kunstfestival werd voor het eerst in 2016 georganiseerd en vormde een belangrijke stimulans voor de wedergeboorte van de verlaten stad. ‘Elk jaar komen er nu artiesten van over de hele wereld naar Aruba om straatkunst te maken, die vervolgens door duizenden kunstliefhebbers worden bekeken!’

Op de hoek van een straat houden we halt bij een eenvoudig gebouw met subtiele art-decotrekken, maar wat vooral opvalt is de gigantische blauwe leguaan die erop geschilderd is. Hij lijkt bijna driedimensionaal, rustig leunend op een raam dat met een perspectieftruc uit het gebouw lijkt te steken. ‘Kunst speelt in San Nicolas ook een sociale en verbindende rol,’ zegt Leon terwijl hij naar de leguaan gebaart. ‘Hier wonen ouderen die weinig mensen zagen, maar sinds de straatkunst hebben ze veel meer aanspraak.’ Vervolgens draait hij zich naar het gebouw aan de overkant van de straat, met een kleurrijke vogel die naar de staart toe steeds lichter en doorschijnender wordt. ‘De fading parakeet,’ legt hij uit. ‘Deze vogel kwam hier op het eiland veel voor maar sterft nu langzaam uit.’

Kunst dringt door tot in het DNA van San Nicolas, van de met flamingo’s beschilderde kunstwinkel Cosecha, waar tientallen Arubaanse kunstenaars hun werk kunnen verkopen, tot aan de kleurrijke openbare bankjes die door jonge gedetineerden met mozaïek zijn belegd. Terwijl we door de stad lopen wordt Leon door van links en rechts begroet en maakt hij met iedereen vrolijke praatjes; de kleurrijke straten zinderen van de warmte en creativiteit. Het is duidelijk: het leven in San Nicolas is weer teruggekeerd.

Cactussen in het landschap van Nationaal Park Arikok | Foto: Sophie Bous

Het ongerepte landschap

Het is vroeg in de ochtend en de zon staat nog laag boven Nationaal Park Arikok. Cactussen werpen lange schaduwen over de droge heuvels; het landschap heeft bijna iets weg van Arizona. Ik sta onder een afdak van het onlangs voltooide Visitor Center van het nationale park, waar ik kennismaak met parkwachter Julio Beaujon. Hij gaat me voor de Arubaanse wildernis in.

‘Een belangrijke rol van het park is educatie,’ vertelt Julio, terwijl hij stevig doorstapt. ‘We vertellen over de bijzondere natuur van het eiland en promoten zo duurzaamheid en behoud.’ Het nationale park beslaat bijna 20 procent van het eiland en het toont een compleet ander beeld van Aruba dan de tropische taferelen langs de kust. Wie beter kijkt vindt hier een eindeloze variëteit aan flora en fauna. ‘In het park leven allerlei soorten vogels, insecten en slangen,’ vertelt Julio. ‘En het staat er vol met geneeskrachtige planten – aloë vera bijvoorbeeld.’ Hij houdt halt bij een omvangrijk exemplaar en inspecteert het kritisch. ‘Ooit was aloë vera een van de belangrijkste exportproducten van het eiland.’

Het is bijna als een wandeling door het Aruba van vóór de Europeaanse inmenging; compleet ongetemd, je komt haast niemand tegen tussen het vulkanische gesteente en het dorre groen, en hier en daar zijn er zelfs nog sporen van de Caquetío te vinden. Het inheemse volk leefde hier al zo’n 500 jaar toen in 1499 de eerste Europeanen – de Spanjaarden Amerigo Vespucci en Alonso de Ojeda – het eiland bereikten. ‘De Caquetío lieten verspreid over het eiland schilderingen na,’ zegt Julio, terwijl hij me naar een prominente basaltrots in de schaduw van hoge begroeiing leidt. Rode en bruine geometrische figuren sieren het grillige gesteente, waar bovenop de hoeven van wilde geitjes kletteren. Het is een van een handjevol plekken waar de schilderingen te vinden zijn; de mooiste exemplaren bevinden zich in de Fonteingrot, meer naar het oosten van het park. ’In de eeuwen van kolonisatie is het volk meer en meer verdwenen, maar in Arikok blijft hun nalatenschap bewaard.’

Uitgestrekte heuvels met her en der een basaltrots en dividivi-boom maken plaats voor bossen vol cactussen; vooral veel lange enkele stammen, breed als zuilen, en “candelabro”-cactussen, die op een soort stekelige kandelaars lijken. Ze zuigen al het water uit de grond op, tot ze topzwaar worden en onverbiddelijk ter aarde storten. ‘De locals weten: als je het hier hoort kraken, dan moet je rennen,’ zegt Julio. Hij vertelt dat de cactussen in het park meer dan honderd jaar oud kunnen worden. ‘Onlangs is er eentje van ruim 150 jaar omgevallen. Ergens zonde, maar zo werkt de natuur.’

Tegen het einde van de wandeltocht staat de zon hoog in de wolkenloze hemel en zet de kenmerkende Arubaanse hitte steeds meer in. Het pad daalt langzaam af, terug naar het Visitor Center, in de verte zichtbaar als een houten tempel tussen woestijnachtig groen. Plotseling houdt Julio plotseling halt. Hij wijst naar een candelabro-cactus, waar helemaal bovenin een tweetal roofvogels zit te rusten, turend over het Arubaanse landschap. ‘Dat zijn kuifcaracara’s,’ vertelt Julio opgetogen. ‘Die zie je hier niet vaak rondvliegen – en al helemaal niet met z’n tweeën!’ Zijn enthousiasme verraadt de magie van deze plek, die zelfs de parkwachter na tientallen jaren nog blijft verrassen. 

Ontdek de onderwaterwereld | Foto: RJ van Aruba Outdoor Adventures

De wonderen in het water

Aan een afgelegen plukje strand, in de schaduw van warrige begroeiing en palmen, staat gids RJ tot aan zijn middel in het water terwijl hij een opvallend vaartuig het water in trekt. Het is een trapkajak, waarmee ik mijzelf zometeen goeddeels droog en ten minste heelhuids over het water zal verplaatsen. Zelfs uit de zon is het water kraakhelder, kleine visjes schieten rond mijn enkels terwijl ik aanstalten maak in het vaartuig te stappen. Eigenlijk is het net een soort waterfiets, maar dan in de vorm van een kajak en aanzienlijk hydrodynamischer. Als ik er eenmaal in geklommen ben begeleidt RJ de kajak richting de zee en stapt dan behendig in zijn eigen exemplaar.

‘Een trapkajak is ideaal,’ zegt RJ terwijl hij vooruit schiet. ‘Door te peddelen met je voeten in plaats van met je handen kun je veel makkelijker om je heen kijken en van de prachtige omgeving genieten!’ We kajakken dwars door een jachthaven, waar ik een onhandige maar schadeloze aanvaring met een aangemeerd zeilschip niet kan voorkomen, en verder langs de kustlijn voorbij de Spanish Lagoon. Het is haast windstil en het water reflecteert de lucht als een spiegel. RJ gebaart naar de grillige kust, waar leguanen op de rotsen in de zon liggen te rusten, en de gebouwen die daarboven vanaf het water net zichtbaar zijn. ‘Hier groeide ik op. Al van kinds af aan kom ik in deze wateren.’ Dan buigt hij zijn kajak af naar de horizon, waar een klein hutje midden in het water afsteekt tegen het alomtegenwoordige blauw. ‘En daar gaan we naartoe om te snorkelen.’

Het eiland is omgeven door zulk helder water dat het op veel plekken niet nodig is om ver het water op te gaan om te snorkelen, maar in deze lagune, langs de zuidkust van het eiland, is het aanzienlijk rustiger dan bij de snorkelplekken direct aan de kust. De strook mangrovebos die de lagune omzoomt vormt bovendien een ideale, beschutte leefomgeving voor tropische vissen, die hier verblijven tot ze groot genoeg zijn om de open zee in te gaan. ‘Het is als een vissencrèche,’ grapt RJ.

Een brutale pelikaan houdt de wacht bovenop het overdekte steigertje terwijl RJ snorkels tevoorschijn haalt en kort uitlegt wat de bedoeling is. We beginnen met snorkelen in de relatief ondiepe lagune, waar het water rustiger is. Rondom de steiger bestaat de zeebodem uit wit poederzand, wat het water in het zonlicht een geweldige turquoise kleur geeft. ‘Maar de plekken waar het water donkerder is, daar zit het koraal,’ legt RJ uit. Ik schuif een duikbril over mijn ogen en neus en daal een trappetje af. Voordat ik mijn hoofd onder water steek hoor ik nog net RJ’s laatste advies: ‘Als je met vissen wil zwemmen, moet je zwemmen als een vis.’

De van bovenaf wiebelige onderwaterwereld is plotseling kraakhelder; het voelt alsof ik een andere dimensie in ben gedoken. Terwijl ik voort dobber maakt het zand onder me al snel plaats voor op het eerste gezicht grauw koraal, maar enig acclimatiseren onthult een oneindig zeebodemreliëf. Als ik even blijf drijven komt het koraal tot leven, als een gigantische onderwaterstad – vissen schieten hun huisjes in en uit, kleurrijke babyvisjes lijken elkaar speels achterna te zitten, een school blauw-gele doktersvissen zwemt door de waterige straten; als ik goed kijk zie ik er een uitgerekte trompetvis tussendoor schieten. Ik drijf net een prachtig stuk hersenkoraal voorbij als RJ het onderwatersignaal geeft om boven te komen. ‘Hoe gaat dat? Klaar voor de open zee?’ Zijn duikbril glanst in de zon en hij grijnst breed als ik knik. Ik duik enthousiast weer onder water – benieuwd naar al het moois dat Aruba nog meer te bieden heeft. 

Sophie Bous reisde naar Aruba met de Aruba Tourism Authority. “Caribische Zee” is vanaf nu haar lievelingskleur.

Openingsbeeld: Ultima_Gaina / iStock