Een tocht door de Kalahari in Botswana

Redactie Lonely Planet
Een tocht door de Kalahari in Botswana

Anthony Ham reed door de Central Kalahari Game Reserve, een werkelijk afgelegen gebied op aarde waar leeuwen, cheeta's en oryxen heersen en mensen opvallend afwezig zijn.

Wanneer je de reusachtige natuurreservaten in Afrika binnenrijdt, voelt het alsof je een drempel overstapt naar een compleet andere wereld, waar niets onmogelijk is. En zo was het dan dat ik, terwijl ik me Alice in Wonderland waande, de verharde weg inruilde voor de zandwegen van Botswana’s Central Kalahari Game Reserve.

Dit is een van de grootste beschermde gebieden in Afrika, en toch omvat het nauwelijks een fractie van de Kalahari, dat tot de grootste ononderbroken zandgebieden in de wereld behoort. Ik droom al van deze reis, om van noord naar zuid over te steken, sinds ik voor het eerst in de Kalahari was. Niet zo zeer vanuit de behoefte om een van de grote woestijnen te ontdekken, maar meer om de gebaande wandelpaden achter me te laten, op zoek naar de stilte van de woestijn en de dieren die in deze afgelegen gebieden leven.

Er lag een week van off-road rijden, kamperen in de wildernis, en dagen zonder een ander mens te zien voor me. Oh, en een pofadder. Op een zanderig pad buiten het dorp Rakops ontmoette ik een van de langzaamst bewegende, maar angstaanjagendste, slangen in heel Afrika. Ik reed te snel (ik moest mijn tempo nog aanpassen aan het ritme van de woestijn) en zwenkte voldoende uit om hem niet te overrijden. Een dier – wat voor dier dan ook – doden al voordat mijn avontuur goed en wel was begonnen, zou zeker een slecht voorteken zijn. Ik reed weer achteruit om de slang beter te bekijken. Boos schoot de pofadder met zijn kop naar me uit. Ik gaf een respectvol knikje terug en vervolgde mijn weg.

Al snel bereikte ik Deception Valley, een van de opgedroogde en versteende riviervalleien die Central Kalahari zijn vorm geven. Er schuilt een prachtige ironie in het feit dat deze dorre plek zijn topografie te danken heeft aan water. Terwijl de zon dichter naar de horizon gleed, waaiden de goudkleurige grassen zachtjes heen en weer in de koele namiddagbries. Springbokken en gemsbokken – de geschilderde oryxen van de Kalahari – hieven hun hoofd, bedacht op deze rare indringer.

Elders werden de zoutvlakten en eilandjes van acacia’s langzaamaan mooier in het zachter wordende licht. Dé plek die Mark en Delia Owens tot hun huis maakten en waarover ze schreven in hun boek Cry of the Kalahari

. Waar de Kalahari in de middagzon even charmant was als een overbelichte foto, begon hij in de loop van de avond steeds magischer te worden. Vanaf mijn kampeerplek, hoog op een zandduin met iele plukjes vegetatie, keek ik toe hoe sterren de hemel verlichtten, ver weg van het lawaai en de lichtvervuiling van de stad.

‘s Nachts hoorde ik het gebrul van leeuwen. Bij zonsopgang volgde ik, van zo dichtbij als ik aandurfde, een Kalaharileeuw met zwarte manen. Hij schreed langs de vallei, koning van alles wat hij zag. Op een andere dag, toen ik door de Passarge - nog zo’n eeuwenoude vallei - aan het rijden was, zag ik niet één ander lid van mijn eigen soort. In plaats daarvan deelde ik de paden met een cheeta en een honingdas, met grootoorvossen en ’s werelds grootste vliegende vogel, de koritrap. Met giraffes en struisvogels, terwijl de jakhalzen op de loer lagen, wachtend op hun kans.

Op de zoutvlakten in het westen van het reservaat rende een aardwolf, zonder ook maar een keer over zijn schouder te kijken. De schaduwen werden langzaam langer. Een koedoe met extravagante hoorns waande zich ongezien tussen het doornige struikgewas. Op de rand van Piper Pan zag ik een andere eenzame cheeta op jacht: een verschijning van katachtige gratie en elegantie.

Er waren maar weinig auto's, en het werden er nog minder naarmate ik meer naar het zuiden reisde. Toen ik voorbij de Xade-poort was, diep in het voormalige thuisland van het inheemse volk van de San, was er helemaal niemand meer, en werd het zand dieper. De afgelegen kampeerplekken waren stil, afgezien van incidentele windvlagen en het gebrul van leeuwen die ’s nachts naar de waterbron bij Xaka kwamen. Tegen de tijd dat ik bij de Bape kampeerplek aankwam, op een verhoging boven de droge Quoxo rivier, begon ik me af te vragen naar wat voor vreemd land ik was afgedwaald, zo stil waren de middag en avond, en zo krachtig het gevoel dat ik de wereld achter me had gelaten.

En toen, op een onwaarschijnlijke vlakte van groene bomen, kwam een groepje San mijn auto tegemoet. Het was bij Mothomelo, nog steeds een stuk ten noorden van de Steenbokskeerkring. De bevolking van Mothomelo is een van de laatste San-gemeenschappen die nog in het Central Kalahari Game Reserve wonen. Ze waren terughoudend, zoals zoveel woestijnvolkeren. De bijzondere rendez-vous voelde als een korte ontmoeting tussen twee werelden. We konden niet anders met elkaar communiceren dan elkaar onze goodwill te tonen door naar elkaar te glimlachen. We gingen dan ook al snel weer onze eigen weg.

Al veel te vlug begonnen tekenen van het moderne leven op te duiken: bandensporen in het zand voor mij, een communicatietoren in de verte. Het waren er eerst maar weinig, maar al gauw waren ze niet meer te negeren. Ten zuiden van Gaugama stak ik over naar het Khutse Game Reserve, het zuidelijke aanhangsel van Central Kalahari. Terwijl ik verder reed begon ik me er langzaam mee te verzoenen dat ik terug zou keren naar de bewoonde wereld. Tegen de tijd dat ik de Steenbokskeerkring over stak, was er nog maar weinig over van mijn spijt dat deze reis ten einde kwam. In plaats daarvan voelde ik vreugde, dat ik dit avontuur had mogen beleven. Maar toch wist ik dat het niet lang zou duren voordat ik weer naar het gebrul van leeuwen en de stilte van de Kalahari-nacht zou verlangen.

Ook op safari door Botswana? Lees alles over de voordelen van zelfstandige safari's.  

Openingsbeeld: Mara Duchetti / iStock


Volg Lonely Planet op Instagram