Avontuurlijke Cariben: de pieken van Saint Lucia

Redactie Lonely Planet

De eilanden in de Caribische Zee zijn een stuk veelzijdiger dan de brochures doen vermoeden. Naast zon, zee en strand is Saint Lucia vooral bijzonder vanwege het bergachtige landschap. Een uitdaging voor zelfs de meest doorgewinterde wandelaar.

Je kunt niet om de beroemdste tweeling van Saint Lucia heen.
Ze staan prominent op de nationale vlag die wappert in het warme briesje op een motorboot. Je vindt ze in strandbars en op veranda’s tijdens borreltijd; hun namen en afbeeldingen staan op de lokale bierflesjes. En iedereen die langs de westkust rijdt, komt ze onvermijdelijk tegen: twee gigantische rotskegels die de zon al 10.000 jaar elke avond in de Caribische Zee hebben zien zakken.

De Pitons vallen op, zelfs in het bergachtige landschap dat het grootste deel van Saint Lucia behelst. Saint Lucia is een eiland van 40 kilometer lang in de vorm van een regendruppel. Het land is zo bergachtig dat het als een verrassing komt wanneer je een vlak cricketveld of vliegveld tegenkomt. De huizen worden gebouwd op palen, om de hellingen van de heuvels zo goed mogelijk te gebruiken. Het midden van het eiland is bijna onbegaanbaar door de dikke deken van tropisch regenwoud die je er aantreft. Hier leven vele zeldzame diersoorten, zoals de Saint Lucia-papegaai met zijn mooie primaire kleuren. De Pitons zelf zijn ontstaan als vulkaanpluggen. Deze pluggen ontstaan doordat magma in de nek van een actieve vulkaan is gestold en langzaam zichtbaar is geworden door erosie van het gesteente van de vulkaankegel eromheen.

Het is geen eenvoudige klim naar de top van Gros Piton | Foto: Justin Foulkes / Lonely Planet

Ondanks alle subtiele hints en aanmoedigingen op vlaggen en flesjes Pitonbier, waagt maar een klein percentage van de toeristen het om een van de toppen te beklimmen. Voor degenen die besluiten het wel te doen, is wandelgids Marva Williams een bemoedigende factor tijdens het pad naar de top. Ze begroet de wandelploeg van vandaag bij een van de houten hutjes die verspreid liggen in het gehucht Fond Gens Libre. Het dorp ligt half verstopt in het bos aan de voet van de grotere van de twee reuzen. ‘Ik was vijf jaar toen ik deze berg voor het eerst beklom,’ zegt Marva. ‘Een aantal mensen uit mijn dorp gingen wandelen en ik zei dat ik mee wilde. Ik was een lastig kind.’

Ze denkt dat ze de 777 meter hoge Gros Piton ongeveer 2000 keer beklommen heeft. Ook al zou je het niet verwachten, de 743 meter hoge Petit Piton is veel moeilijker te beklimmen dan zijn grotere buurman. Dit wordt dan ook vrijwel niet gedaan. Beide toppen lijken ontzettend stijl, maar Gros Piton heeft hier en daar wat vlakkere stukken. Er is een stevig pad dat de wandelaars in twee á drie uur naar boven brengt, zonder touwen en ander klimgerei. Het is niet altijd zo makkelijk geweest. ‘Toen ik hier voor het eerst klom, waren er geen trappetjes,’ zegt Marva. ‘Je ging omhoog op handen en knieën, en weer naar beneden op je achterste. Je werd er erg vies van.’

Tijdens het eerste stuk van de wandeling strekt de zee zich aan je linkerhand uit. Het is een grote blauwe vlakte; er is geen spoor te ontdekken van de veelkleurige wereld van het koraalrif dat zich maar een klein stukje van de kust af bevindt. Al snel gaat het pad resoluut bergopwaarts en we komen terecht onder het bladerdak van de jungle. Aan beide kanten van het pad staan in elkaar verstrengelde planten en boomwortels klampen zich vast aan mossige stenen alsof ze ze nooit meer los willen laten. Als we op driekwart van de tocht zijn, zijn we allemaal zo gefocust dat niemand meer praat. We horen alleen de roep van een suikerdiefje en het geluid van andere vogels tussen de bomen. Het zijn de enige wezens die hun hand er niet voor omdraaien om even honderden meters op en neer langs de berg te gaan.

Uitzicht vanaf de Gros Piton op de Petit Piton en de baai van Soufrière | Foto: Justin Foulkes / Lonely Planet

Als we de top bereiken heeft Marva nog nauwelijks een zweetdruppeltje op haar voorhoofd staan. ‘Ik kan deze tocht bijna lopen met mijn ogen dicht,’ zegt ze. Ze staat op een steen en kijkt uit naar de piramidevormige Petit Piton en de groene plooiingen van de bergen op de achtergrond. Langs de kust zijn allemaal baaitjes te zien die zijn omrand met strandjes: anses heten ze in de achtergebleven taal van de 18de-eeuwse Franse kolonisten. Achter Petit Piton, uit het zicht, ligt de slaperige vissershaven van Soufrière. Wat we vanaf hier ook niet kunnen zien – en gelukkig ook niet kunnen ruiken – zijn de onwelriekende, borrelende zwavelbronnen waar de Fransen het dorp naar vernoemd hebben. Marva legt uit dat de heuvels om de Pitons heen de opgeblazen resten zijn van een 40.000 jaar oude caldera, een komvormige vulkaankrater. Tegenwoordig ziet het er, vanaf 777 meter hoogte, zo sereen uit als het maar kan. ‘Ik krijg er nooit genoeg van,’ zegt ze. Hoog boven de jungle en het azuurblauwe water van de zee zijn we het roerend met haar eens.

Dit is het derde deel van een driedelige serie. Lees het eerste deel en het tweede deel terug.

Openingsbeeld: Justin Foulkes / Lonely Planet